previous arrow
next arrow
Slider

Algemeen.
Waar en wanneer het schimmenspel precies is ontstaan is onduidelijk. Wellicht bij de eerste zonsopgang, er bestaan verschillende legenden over. Wat wel vast staat is dat de oudste vormen van het schimmenspel uit Azië (China, India en/of Java) komen. De oudste bewijzen zijn geschriften, tekeningen en verhalen. Deze dateren uit de tijd van ± 100 v. Chr. (Uit: "Das Indonesische Schattenspiel, Bali-Java-Lombok" van Günter Spitzing 1981, blz. 208 - 209)

Vanuit Azië is het schimmenspel, via het Midden-oosten en Afrika (1100 - 1400), met name dankzij de ontdekkingsreizen in de 17e eeuw in Europa terecht gekomen. Hier noemde men het in het begin: Chinees schimmenspel doordat de mensen dachten dat het voornamelijk uit China kwam. Door rondtrekkende straatartiesten werd het via Spanje, Portugal, Italië en Frankrijk over heel Europa verspreid. In deze tijd was het, vooral voor de Duitse artiesten, populair om allerlei geheimzinnige, griezelige en spookachtige effecten op te roepen. Zo werden er zelfs schimmen geprojecteerd op rookwolken!

Le Théâtre Séraphin (1772 - 1870) van de Fransman FranÇois Séraphin Dominiqui (1747 - 1800) zorgde er in de achttiende en negentiende eeuw voor dat het schimmenspel opbloeide tot een theatervorm van formaat. Het theater Le Chat Noir (1887 - 1896) onder leiding van Henri Rivière, zorgde ook voor veel "promotie" van het schimmenspel. Vanaf de tijd van Le Théâtre Séraphin is het lange tijd (ook in Nederland) populair geweest om thuis op geïmproviseerde wijze schimmenspel te spelen. (Uit: "Schimmenspel en het spelen met schaduwen" van Hetty Paërl, 1979, blz 44 - 55)

In Europa zijn er eigenlijk maar een klein aantal spelers geweest die zich tot bekendheden in het theater hebben opgewerkt. Deze namen zijn nu vaak alleen nog toegankelijk voor kenners: FranÇois Séraphin, Ko Doncker, Willem Roelofs, Pieter van Gelder, Frans ter Gast en Kobus de Graaff.

Het schimmenspel in de huiskamer is verdwenen en het hele schimmenspel is een beetje ondergeschikt geraakt aan het poppenkastspel. Velen weten bijna niet meer wat schimmenspel is. Dit illustreert zich het best aan de hand van een voorbeeld: Vaak als ik speel voor kinderen (of volwassenen) is de eerste reactie: "Oh leuk, we krijgen poppenkast!". Als ik dan vertel dat het doek/scherm er voor blijft zitten, is de nieuwsgierigheid gewekt.

Schimmen voor kinderen
Al in de achttiende eeuw bestond er een traditie om de schimmenspelen voor kinderen op de markt te brengen. Ten tijde van (alweer) Séraphin had een prentenfabrikant (Nancy en Metz) de bekendste silhoueten en verhalen van Séraphin op vellen papier nagemaakt en als speelgoed op de markt gebracht. Zelfs in Nederland kwamen prenten van Séraphin op deze manier in de handel. Het was de bedoeling dat de kinderen de figuren op karton plakten en uit knipten. Met prikpennen konden ze de witte vlakken uitprikken en de bewegende delen werden met touwtjes of ijzerdraad aan elkaar gemaakt. Dan moest er nog een stokje onder om de pop vast te kunnen houden, waarna de pop klaar was om mee te spelen.

Om deze prenten in Nederland op de markt te kunnen brengen, moest deze natuurlijk vertaald worden. De werken kregen, doordat ze nogal eens gekuist of bewerkt werden, een geheel eigen karakter.

Bij de prenten werden later (in de negentiende eeuw) ook complete tafeltheatertjes geleverd. Opmerkelijk is daarbij dat vanaf die tijd het verschil tussen de Franse schimmentheaters en de Nederlandse duidelijk te zien is. De Franse poppen, decors en theaters zijn veel preciezer en sierlijker, de Nederlandse zijn eenvoudig en puur functioneel.

Niet alleen in Nederland en Frankrijk werden deze kinderschimmenspelen op de markt gebracht, dat gebeurde ook in Duitsland en Oostenrijk. Daar waren prachtige kleurdrukken te verkrijgen.

Na enige tijd kwamen er ook voorbedrukte platen met schimmen voor de toverlantaarn in de handel. Compleet met kleuren en bewegingen. De kinder (-speelgoed) schimmenspelen werden een belangrijk gegeven voor de verspreiding van het schimmenspel in het algemeen. De commercie sprong handig in op de behoefte van het volk. (Deze paragraaf tot en met deze alinea uit: "Schimmenspel en het spelen met schaduwen" van Hetty Paërl, 1979, blz 51 - 55)

Waarschijnlijk zijn op deze manier ook de papieren schuiftheaters vanaf die tijd in de handel gekomen. Wat de verwantschap tussen deze twee vormen van theater precies is, is mij niet helemaal duidelijk geworden. Wel is het duidelijk dat ze veel met elkaar te maken moeten hebben gehad. Het feit dat de speelwijze bij het schimmenspel vaak die van het "schimmenschuiven" was, getuigd dat. De Nederlanders Frans ter Gast en Ko Donckers pasten deze techniek bijvoorbeeld nog toe.

Schimmenspel in Nederland.
Ko Donkers (1875 - 1917) was de eerste echte grote schimmenspeler in ons land. Hij moet een vreemde man zijn geweest die rare invallen had en impulsief was. Zijn grootste kracht was het voordragen van de eigen geschreven teksten en daarnaast had hij een tekenopleiding gevolgd. In zijn spelen verdreef hij de droefheid met vrolijkheid, met ernstige zaken stak hij de gek. De geschiedenis en vooral die van de schilderkunst, was zijn geliefde onderwerp. Hij maakte niet veel gebruik van bewegingen in zijn poppen. Het zuivere contrast tussen zwart en wit vond hij belangrijker.

Ook Willem E. Roelofs jr. (1874 - ?) was een belangrijke speler in die tijd. Hij speelde meestal een aantal korte stukken achter elkaar en gebruikte vele grijstinten en bewegingen in zijn poppen en decors. In 1920 stopte hij. Technisch en esthetisch was hij (volgens Rico Bulthuis) aan zijn einde, nadat hij ± acht jaar had gespeeld.

Aanvankelijk leek het schimmenspel rond 1920 op een dieptepunt te komen. De jonge Pieter van Gelder (1902 -?) leek het tij te keren. Hij had de kunstnijverheidsschool gevolgd wat hem de ondergrond voor het schimmenspel gaf. Hij maakte fantasievolle, karikatuurachtige figuren (vaak van hout) en doordat er tot dan toe hoofdzakelijk realistisch werd gewerkt, sloeg hij een totaal andere weg in. Hij speelde van 1916 tot 1926 en was gestopt doordat hij geen tijd meer had voor het vele werk dat het schimmenspel met zich mee bracht.

De laatste belangrijke schimmenspel was Frans ter Gast (1880 - 1970). In 1918 had hij al schimmen gemaakt, maar in 1924 maakte hij pas zijn eerste volledige spel. Hij was ontwerper en decorateur van beroep en had het schimmenspel als hobby naast zijn baan. Zijn bijzondere kwaliteit was het maken van de vele bewegingen, als speler was hij niet bijzonder begaafd.

De "schimmenhaan" een pop die ik heb gezien tijdens mijn bezoek aan Rien Baartmans, beweegt met behulp van een plankje en bevat zeer veel over elkaar liggende koppelingen. In 1968 besloot hij te stoppen. Hij had toen ± 40 schimmenspelen gemaakt. (Deze paragraaf tot en met deze alinea uit: "Geschiedenis van het schimmenspel in Nederland" van Rico Bulthuis, 1970, blz 26 - 53)

Vandaag de dag zijn er naar mijn weten geen echte schimmenspelers meer. Rien Baartmans is deskundig op het gebied van de wajangpoppen en heeft het schimmenspel in zijn programma naast andere spelen opgenomen (hij speelt onder andere de spelen van Frans ter Gast). Ger Boonstra, een leerling van Frans ter Gast die ik niet heb kunnen bereiken, is gestopt met het spelen.

Bijzonderheden en opvallende spelvormen.
China: 960 - 1278. "Lampen met rennende paarden". Dit waren grote lantaarns met daarin een kaars. De hitte van de kaars bracht een spiraalachtige veer in beweging. Op die veer waren de papieren ruiterfiguren bevestigd. (Uit: "Schimmenspel en het spelen met schaduwen" van Hetty Paërl, 1979, blz. 10)

± 1100. In deze tijd bloeide het schimmenspel in China op. Er waren straatartiesten die het theater waarin ze speelden, compleet op de schouders droegen. Het lichaam werd vanaf de schouders door een doek bedekt. (Uit: "Schimmenspel en het spelen met schaduwen" van Hetty Paërl, 1979, blz. 10)

India: De spelen die werden gespeeld duurden bijna de hele nacht tot het ochtendgloren. De poppen waren zeer groot; soms tot mens hoogte. (Uit: "Schimmenspel en het spelen met schaduwen" van Hetty Paërl, 1979, blz. 16)

Indonesië: Vanaf ± 1000 (vooral op Bali en Java). Hier ontstond het schimmenspel uit de inwijdingsriten voor jonge mannen. De vrouwen mochten hier niet naar kijken, wel mochten ze naar de schaduwen van deze riten kijken. (Uit: "Schimmenspel en het spelen met schaduwen" van Hetty Paërl, 1979, blz. 19)

Het schimmenspel is verwant aan het wajangspel. Wajang is Javaans voor: schaduw, silhouet en geestverschijning. Niet alle wajangspelen zijn schimmenspelen. Ook in de wajangspelen kwamen de riten voor jonge mannen terug. Ze werden soms gecombineerd met levend schimmenspel waarbij totale mensfiguren als schim fungeerde. (Uit: "Das Indonesische Schattenspiel, Bali-Java-Lombok" van Günter Spitzing 1981, blz. 12 - 13)

Thailand: Vanaf ± 1500. Één van de vormen die daar beoefend werd was die van de "nang yaj". Deze vond plaats in de open lucht voor groot publiek. Het doek was een drieluik van 20 meter lang en 3 tot 5 meter hoog. Vaak met een opening er in, waardoor de spelers ook voor het doek met hun poppen konden spelen. Het scherm helde iets naar het publiek toe en er waren versieringen op de zijkant aangebracht. Er achter werd een groot vuur gestookt. Helaas is het schimmenspel hier aan het uitsterven. (Uit: "Schimmenspel en het spelen met schaduwen" van Hetty Paërl, 1979, blz. 29)